Bepalingen kaders bij begroting 2026-2029

Bij het opstellen van het meerjarenperspectief is het van belang om de diverse uitgangspunten te benoemen en vast te leggen. Deze uitgangspunten vormen de basis voor het meerjarenperspectief. In de kadernota (vanaf hier) zijn de volgende uitgangspunten voor de jaren 2026-2029 opgenomen.

Aantallen per 1-1

2026

2027

2028

2029

Woningen

23.077

23.290

23.290

23.290

Groei woningen *

213

213

100

100

Inwoners

58.648

59.180

59.180

59.180

Groei inwoners

533

533

0

0

Areaaluitbreiding (t.o.v. voorgaande jaar)

0,9%

0,9%

0,9%

0,0%

* Bovenstaande groei is gebaseerd op een gemiddelde van de verkoopprognoses uit de geactualiseerde gemeentelijke grondexploitaties per 1 januari 2025 en particuliere initiatieven. 2028 100 en 2029 100: de planning van de projecten Oranjepark en Dwarskade ligt nog niet vast.

De verwachte areaaluitbreiding is gedaald van 1,2% naar 0,9% ten opzichte van de prognose bij de Kadernota 2025. Daarnaast wordt momenteel geen verdere uitbreiding verwacht na 2027.

Bij het bepalen van de prijsindexaties op de budgetten wordt gebruik gemaakt van de informatie uit het Centraal Economisch Plan zoals dat jaarlijks door het CPB wordt gepubliceerd. Voor de gemeenschappelijke regelingen is de prijsindex uit de kaderbrief gemeenschappelijke regelingen begroting 2026 in de regio Haaglanden toegepast. Het percentage van 4,2% in 2026 voor Gemeentschappelijke regelingen betreft de reguliere indexering. Daar tegenover is in de kaderbrief Gr'en 2026 een taakstelling opgenomen van 6,2%. De gevolgen van deze taakstelling zijn terug te vinden bij de toekomstbestendige gemeentefinanciën. De door de GR'en vastgestelde en aan de gemeenten aangeboden begroting wordt verwerkt in de begroting 2026.

De prijs- en areaalindexpercentages die worden voorgesteld voor de jaren 2026-2029:

Prijsstijging t.o.v. het voorgaande jaar

2026

2027

2028

2029

Personeel gerelateerde budgetten

2,0%

5,1%

4,2%

4,5%

Goederen en diensten (uitgaven)

2,1%

2,2%

2,2%

2,3%

Gemeenschappelijke regelingen

4,2%

4,1%

3,5%

3,8%

Subsidies en sociaal domein

2,0%

4,1%

3,5%

3,8%

Goederen en diensten (inkomsten)

2,1%

2,2%

2,2%

2,3%

Areaalstijging t.o.v. het voorgaande jaar

2026

2027

2028

2029

Personeel gerelateerde budgetten

0,9%

0,9%

0,9%

0,0%

Goederen en diensten (uitgaven)

0,9%

0,9%

0,9%

0,0%

Gemeenschappelijke regelingen

0,9%

0,9%

0,9%

0,0%

Subsidies en sociaal domein

0,9%

0,9%

0,9%

0,0%

De Voorjaarsnota 2025 van het Rijk en de gevolgen ervan voor de inkomsten uit de meicirculaire gemeentefonds 2025 zijn niet opgenomen in bovengenoemde percentages voor prijsindex. Het ontbreken van deze informatie leidt ertoe dat de financiële gevolgen van de bovengenoemde percentages niet zijn uitgewerkt in de kadernota 2026. Indien de inhoud en de uitwerking van de meicirculaire hiertoe aanleiding geven worden de prijsindexpercentages hierop aangepast en worden de financiële gevolgen aan u voorgelegd in de besluitvorming naar de Programmabegroting 2026.

Overweging stelselwijziging indexeren

Jaarlijks worden de budgetten in de begroting structureel bijgesteld aan de dan geldende verwachtingen voor prijsindexering die door het CPB zijn opgesteld. Het Rijk werkt ook met prijsindexering voor het gemeentefonds maar hanteert daarin een gemiddeld indexpercentage dat is opgebouwd uit een aantal verschillende indices. Dit wordt niet transparant toegelicht in de circulaires maar heeft wel als uitkomst dat er structureel te weinig wordt gecompenseerd voor de werkelijke prijsstijgingen. Om te voorkomen dat we onszelf mogelijk onnodig een te negatief meerjarenperspectief presenteren, is overwogen of het zinvol is om onze budgetten niet langer meerjarig te indexeren maar jaarlijks slechts voor één jaar mee te laten groeien met de indexering zoals die in de meicirculaire wordt toegekend. In plaats van een jaarlijks structurele bijstelling van de bestaande stelpost voor indexering kan dan worden gewerkt met een jaarlijks incidentele toekenning voor het geheel van prijsindexering. De toepassing van een jaarlijkse incidentele prijsindexronde neemt op dat moment een zodanig groot beslag op de middelen die (mogelijk) vrijkomen uit de meicirculaire dat het onwenselijk is om onszelf hiervan afhankelijk te maken. Een alternatief hierop, slechts indexeren met de middelen die hiervoor worden beschikbaargesteld in de meicirculaire, is niet mogelijk omdat dit niet leidt tot een realistische begroting.